Tijdens een optreden was ik bezig met een gedachtenleesroutine.
Iemand had een woord in zijn hoofd en ik probeerde erachter te komen welke letters erin zaten.
Daarvoor laat ik mensen vaak langzaam het alfabet opnoemen terwijl ik let op kleine reacties.
Een glimlach.
Een aarzeling.
Een opgetrokken wenkbrauw.
Dat soort dingen.
Naast de deelnemer stond een jongetje aandachtig mee te kijken.
Dus ik besloot hem erbij te betrekken.
“Welke letter denk jij dat de eerste letter van het woord is?”
Normaal gesproken krijg ik dan antwoorden als de eerste letter van hun eigen naam.
Of die van hun vader of moeder.
Maar dit keer zei hij zonder twijfel:
“Z.”
Dat was een opvallende keuze.
Dus ik vroeg:
“Waarom Z?”
Hij keek me aan alsof het de meest logische conclusie ooit was en zei:
“Omdat dat de laatste letter was die ze zei.”
Ik moest lachen.
Want natuurlijk was het niet de goede letter.
Maar zijn redenering was eigenlijk best sterk.
Terwijl ik druk bezig was met lichaamstaal, micro-expressies en gedachten lezen, had hij gewoon geluisterd naar het alfabet en geconcludeerd dat als iemand eindigt bij de Z, die letter blijkbaar belangrijk moest zijn.
Misschien was het niet de juiste conclusie.
Maar het was wel een verrassend logische.
Soms probeer je als goochelaar een gedachte te raden.
En soms krijg je vooral een kijkje in hoe een kinderbrein werkt.
En eerlijk gezegd weet ik nog steeds niet welke van de twee mij het meest verbaast.