Sommige lessen leer je tijdens een cursus.
Andere leer je terwijl je met een pijnlijke hand honderden ballonnen staat op te blazen.
Dit verhaal valt in de tweede categorie.
Jaren geleden werd ik gevraagd voor de première van De Droomboom bij JT Bioscopen.
De zaal zat vol met kinderen.
Mijn taak was simpel:
Zorgen dat ieder kind een ballonfiguur mee naar huis kreeg.
Dat klinkt eenvoudig.
Totdat de film halverwege pauze heeft.
Binnen enkele minuten stroomde de foyer vol met kinderen.
En voordat ik het wist ontstonden er meerdere rijen.
Niet één nette rij.
Nee.
Meerdere rijen.
Vanuit verschillende kanten.
Iedereen wilde natuurlijk als eerste zijn ballon.
Dat snap ik ook wel.
Dus deed ik wat iedere ballonartiest zou doen.
Ik bleef pompen.
En pompen.
En pompen.
Totdat mijn handpomp besloot dat hij er genoeg van had.
Het handvat brak af.
Gewoon helemaal af.
Normaal gesproken zou dat het einde van het verhaal zijn.
Maar er stonden nog steeds tientallen kinderen te wachten.
Dus besloot ik door te gaan.
Met een kapotte pomp.
Zonder handvat.
Iedere ballon kostte ineens veel meer kracht.
En terwijl de rijen langzaam korter werden, begon de scherpe rand van de pomp in mijn hand te schuren.
Op een gegeven moment had ik een behoorlijke scheur in mijn hand.
Niet zo erg dat de ballonnen onder het bloed zaten of dat er paniek ontstond.
Maar wel genoeg om iedere nieuwe ballon te voelen.
Toch bleef ik doorgaan.
Want voor iedere ballon stond een kind te wachten.
En ik wilde absoluut voorkomen dat iemand zonder ballon terug de bioscoopzaal in moest.
Uiteindelijk kregen alle kinderen hun ballon.
Missie geslaagd.
Mijn hand dacht daar iets anders over.
Maar dat was een probleem voor later.
En dat bleek uiteindelijk een belangrijk moment in mijn carrière.
Want ergens tijdens die dag nam ik een besluit.
Dit ging me nooit meer gebeuren.
Dus begon ik iets te oefenen waarvan veel mensen denken dat het onmogelijk is.
Lange modelleerballonnen opblazen met mijn mond.
Voor wie het nooit heeft geprobeerd:
Dat is aanzienlijk moeilijker dan een gewone ballon opblazen.
Sterker nog, de meeste mensen krijgen er nauwelijks lucht in.
De eerste keer lukte het mij niet.
De tweede keer niet.
De derde keer niet.
En de vierde keer ook niet.
Maar na weken oefenen begon het langzaam te lukken.
Steeds iets verder.
Steeds iets makkelijker.
Totdat het uiteindelijk vanzelfsprekend werd.
Tegenwoordig maak ik er tijdens kinderfeestjes soms een spelletje van.
Dan vraag ik een ouder of vrijwilliger of ze een modelleerballon willen opblazen.
Ik wil tenslotte zelf ook een beetje vermaakt worden.
Meestal krijg ik eerst een zelfverzekerde blik.
Dan volgt een diepe ademhaling.
En daarna ongeveer tien seconden lang een rood hoofd zonder zichtbaar resultaat.
De kinderen vinden dat fantastisch.
En de volwassenen ontdekken iets wat ik zelf jarenlang niet doorhad.
Het moeilijkste deel van een ballonfiguur is vaak niet het vouwen.
Het is het opblazen.
Zodra de ballon eenmaal gevuld is, kan ik er iets leuks van maken.
Maar dat eerste stukje lucht erin krijgen?
Dat is waar de echte strijd begint.
Na zo’n demonstratie krijg ik bijna altijd wat extra respect van de ouders.
Omdat ze zelf hebben ervaren hoeveel moeite er eigenlijk achter zo’n simpel ballonhondje schuilt.
Tegenwoordig blaas ik met gemak tientallen modelleerballonnen op tijdens een optreden.
Soms wel zestig in een uur.
Zonder pomp.
Gewoon met mijn longen.
En iedere keer dat dat lukt, ben ik stiekem nog steeds een beetje blij dat die pomp ooit kapot ging.