Tijdens kinderfeestjes eindig ik vaak met ballonfiguren.
Dat is meestal een rustig moment.
De show is voorbij.
De kinderen zijn enthousiast.
Iedereen wacht op zijn ballon en ik ben dieren, zwaarden en andere creaties aan het maken.
Tijdens één van die feestjes gebeurde er iets wat ik nooit meer ben vergeten.
Terwijl ik bezig was met een ballon, kwam er een jongetje naar voren lopen.
Niet rennend.
Niet lachend.
Niet enthousiast.
Gewoon heel rustig.
Hij stopte op ongeveer dertig centimeter afstand van mij.
Zijn hoofd hing naar beneden.
Hij zei niets.
Dus ik keek hem aan.
En wachtte.
Misschien wilde hij een ballon.
Misschien had hij een vraag.
Misschien was er iets mis.
Na een paar seconden besloot ik hem vriendelijk te helpen.
“Kan ik je ergens mee helpen?”
Langzaam draaide hij zijn hoofd omhoog.
Bijna alsof ik in een horrorfilm terecht was gekomen.
Hij keek me recht aan.
Zonder te lachen.
Zonder enige emotie.
En zei:
“Ik bijt je p*k eraf.”
…
Daar stond ik dan.
Met een half afgemaakte ballon in mijn hand.
Midden op een kinderfeestje.
Terwijl mijn hersenen probeerden te verwerken wat er zojuist was gebeurd.
Ik heb hem uiteindelijk vriendelijk verzocht om een stapje achteruit te doen.
Professioneel blijven is tenslotte ook onderdeel van het vak.
Van binnen ging dat iets minder goed.
Want intern lag ik compleet dubbel.
Niet meteen natuurlijk.
Dat zou de situatie waarschijnlijk alleen maar vreemder hebben gemaakt.
Tot op de dag van vandaag heb ik geen idee waar die opmerking vandaan kwam.
Misschien had hij iets op televisie gezien.
Misschien had hij een oudere broer.
Misschien was dit voor hem een volkomen normale manier om een gesprek te beginnen.
Ik zal het waarschijnlijk nooit weten.
Maar na honderden optredens leer je één ding:
Je kunt je nog zo goed voorbereiden.
Je kunt nog zoveel ervaring hebben.
Kinderen vinden altijd weer een nieuwe manier om je compleet te verrassen.
En misschien is dat ook precies waarom ik het zo leuk vind.